In wat soms bijna voelt als mijn vorige leven had ik het voorrecht om regelmatig Afrikaanse landen te bezoeken. Eerst in Oost-Afrika (Oeganda, Ethiopië), later in West-Afrika (Sierra Leone, Nigeria, Burkina Faso). Vanuit Nederland stapte ik steeds weer een wereld binnen die anders was in klimaat en landschap, maar vooral in cultuur. En toch voelde het vaak als thuiskomen.
Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik terugkwam in Nederland. ’s Avonds vertrokken uit een samenleving waarin het leven zich op een vanzelfsprekende, gedeelde manier afspeelde. De volgende ochtend stond ik op Schiphol, waar mensen in gele jasjes me vertelden waar ik precies moest gaan staan. Thuis, omringd door alles wat ik had verzameld in mijn studentenkamer, realiseerde ik me hoe weinig ik eigenlijk echt nodig had. Een matras zou ook genoeg zijn.
Die eerste reis naar Oeganda had iets blootgelegd wat ik diep van binnen al wist: regels en materialisme kunnen houvast geven, maar maken niet gelukkig. Mens zijn gaat over verbinding. Verbinding met het grotere geheel — met God, met jezelf, met de natuur en met de mensen om je heen. En in die verbinding zit ook afhankelijkheid. ‘Ik ben omdat wij zijn,’ zoals het Ubuntu-gedachtegoed het zo treffend verwoordt — een inzicht dat ik in Afrikaanse landen van dichtbij heb mogen ervaren.
Tijdens latere werkbezoeken viel me op dat er niet gesproken werd over dorpen, maar over gemeenschappen. Dat woord raakte me, omdat het meer is dan een aanduiding van een plek. Het zegt iets over hoe mensen zich tot elkaar verhouden. Je deelt niet alleen ruimte, maar ook verantwoordelijkheid. Je leeft samen, bent op elkaar aangewezen, en als er iets speelt, los je het samen op.
Ook in Nederland kennen we gemeenschappen — verenigingen, kerken, vriendengroepen. Maar ze zijn vaak minder verweven met de plek waar we wonen. We delen niet vanzelfsprekend het dagelijks leven, het stukje grond direct buiten onze voordeur. Dat is iets wat ik de afgelopen jaren ben gaan missen. Om gemeenschap te ervaren moet ik vaak bewust ergens heen, iets plannen. Mooie en moeilijke momenten worden achteraf gedeeld, in plaats van dat je er vanzelf deel van uitmaakt. Gemeenschap voelt daardoor soms als iets wat je doet, in plaats van iets wat je overkomt.
Dat verlangen naar een meer vanzelfsprekende vorm van samenleven heeft voor mij langzaam vorm gekregen. In Erve Bosco zie ik een plek waar dat mogelijk is. Een plek waar je elkaar tegenkomt terwijl je de tuin inloopt, waar een gesprek ontstaat zonder afspraak, waar iemand aanschuift terwijl er wordt gekookt. Waar je niet alles alleen hoeft te dragen, maar het leven zich deelt — in kleine en grote dingen.
Ik geloof dat zo’n manier van samenleven ook hier kan bestaan. Niet als ideaalbeeld zonder frictie, maar als een bewuste keuze om betrokken te zijn op elkaar. Om vertrouwen te oefenen. Om verschillen niet uit de weg te gaan, maar ervan te leren. Om elkaar te helpen als het nodig is, en ruimte te geven als dat beter is.
Dat zal niet altijd makkelijk zijn. Samenleven schuurt soms, vraagt iets van je. Maar juist daarin ligt voor mij de essentie van mens zijn: dat je niet op jezelf staat, maar onderdeel bent van een geheel. Dat je leven zich niet alleen afspeelt binnen je eigen muren, maar in relatie tot de mensen om je heen.
En misschien is het wel zo eenvoudig als dit: dat er aan het einde van de dag iemand is bij wie je even binnenloopt, en dat dat genoeg is om je thuis te voelen.